
Dokter in Ghana, onder deze titel schrijft Karel Bijlsma uit Schaijk over zijn verblijf in het Afrikaanse land. Met zijn vrouw Marieke is hij na zijn pensionering in een ziekenhuis in Battor gaan werken.
Olie
In een artikel in de Daily Graphic vraagt de schrijver zich af of Ghana, nu er olie is gevonden voor de kust, lessen kan leren van anderen. Hij begint met een waarschuwing in de vorm van een eenvoudig, maar wijs, Ghanees spreekwoord: „Als zondag een prachtige dag zal zijn, is het zaterdag die het licht zal aansteken”. Hij stelt vervolgens dat Ghana een van de meest gezegende landen van Afrika is. Het is rijk aan delfstoffen: goud, diamant, bauxiet en mangaan. Het heeft veel cacao, hout, vruchtbare landbouwgrond, rivieren, regenwoud, veel regen en veel zon. En zegt dan verder, dat Ghana een lange tijd van wanbestuur heeft gehad door corrupte politici en egoïstische militaire avonturiers, die het land aan de rand van de afgrond hebben gebracht. Daardoor is Ghana een arm land met een grote schuldenlast geworden. Daarna beschrijft hij de situatie in juni 2007 toen de heer Musselman van Kosmos Energy (een Amerikaanse firma die proefboringen naar olie doet) een bezoek bracht aan president Kufuor. Als het echt zo gegaan is, klinkt de oude Ghanese cultuur nog flink door in het heden, maar ik vermoed, dat de fantasie van de schrijver ook een belangrijke rol in het geheel heeft gespeeld. Hoe het ook zij, de boodschap was, dat er naar schatting 600 miljoen Barrel Light Oil voor de kust van Ghana liggen. De kranten hadden er bol van gestaan: „commerciële olieproductie gepland voor het voorjaar 2010” en „de Ghana national petroleum company zegt, dat het wordt overspoeld met aanmeldingen van buitenlandse firma’s, die belangstelling hebben om in de olie exploratie te investeren” ...
Het doel van het artikel is om de Ghanezen er aan te herinneren, dat zij, of ze het nu leuk vinden of niet, op weg zijn om te veranderen van een olie importerend land in een olie exporterend land. „Dat is natuurlijk een bron voor vreugde. Maar het is voor ons als natie belangrijk om voorzichtig te werk te gaan, zodat de olievondst een zegen en geen vloek zal zijn”.
Daarom haalt hij 2 voorbeelden aan van Afrikaanse landen met olie: Nigeria en Libië.
Over Nigeria zegt hij: „hij lijkt er op, dat er in het besturen van de olie-industrie in Nigeria iets niet goed is gedaan. Dientengevolge is de olierijke delta ernstig vervuild. Media verslagen wijzen erop, dat de welstand van de mensen, die leven in die olierijke regio, er niet een is om over naar huis te schrijven. Waarom?”
Hij onthoudt zich van verder commentaar en gaat verder met Libië, dat dingen schijnt te doen, die voor Ghana de moeite van het navolgen waard zouden zijn. De schrijver heeft gehoord, dat alle leerplichtige kinderen daar ook werkelijk naar school gaan en dat er geen enkele volwassen burger van dat land dakloos is. „Libië is een land in het noorden van Afrika midden in de woestijn. Maar Libië is in staat geweest om een kunstmatige rivier van 1000 km lang aan te leggen en is bezig om de woestijn te veranderen in een ongerept regenwoud door systematische irrigatie”.
Hij eindigt met de vragen: „hoe bereiden de Ghanezen zich voor op de olie-explosie?” „Leren wij lessen van anderen?”
Het lijken mij uiterst belangrijke vragen los van de kwestie of alles wat hij schrijft ook waar is.